Nederland is geen land van kooplieden, maar van ingenieurs. We verdienen ons geld niet door slim te handelen, maar door dingen te maken. Van chipmachines tot Marsrepen: de hele wereld wil ze hebben. De industrie is cruciaal voor onze welvaart. Maar dat betekent niet dat we die klakkeloos moeten beschermen vanwege strategische autonomie.

Eerst even een historisch uitstapje

Misschien is het wel misgegaan in ons eigen historische verhaal. Wie aan de Nederlandse economische geschiedenis denkt, denkt al snel aan de VOC: hoe Nederlanders de wereldzeeen bevaarden en handel dreven (en koloniseerden en genocideerden). Of misschien aan de eerste aandelenbeurs ter wereld, in Amsterdam, waar in aandelen kon worden gehandeld. Onze windmolens zijn toch een beetje kitch, iets voor toeristen, mensen van buiten. Terwijl ze zo'n wezenlijk onderdeel vormen van ons economische succes.

Toen slimmerik Cornelis van Uitgeest de houtzaagmolen uitvond, kon het zagen van hout voor schepen gemechaniseerd worden en hoefde het hout niet meer met de hand gezaagd te worden. Daardoor kon Nederland meer en grotere schepen gaan bouwen. Daardoor nam de behoefte aan buitenlands hout - en dus handel - toe. En door de betere schepen konden we verder en vaker varen om te handelen. De Zaanstreek kon daardoor uitgroeien tot een van de eerste grote industriegebieden ter de wereld.

Geen handel zonder eigen industrie. En geen industrie zonder handel.

En nu weer terug naar het heden

Nederland verdient volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek 376 miljard euro aan handel met het buitenland, dat is ruim een derde van onze totale welvaart. Zonder die handel zouden we een stuk armer zijn met zijn allen. Maar wie de cijfers afpelt, ziet dat veel van die handel eigenlijk voortkomt uit onze maakindustrie.

Nederland verdient op papier iets meer geld met de export van diensten (168 miljard euro) dan met die van eigen goederen (166 miljard). Maar een deel van die diensten hangen weer samen met de export van fysieke goederen en industrie. 20% van diensten die we 'exporteren' zijn vervoersdiensten. Zie maar eens een EUV-machine van ASML in Taiwan te krijgen zonder gespecialieerde vervoerder.

14% hangt daarnaast samen met Research & Development. Een deel gebeurt aan universiteiten, maar het merendeel (70%) wordt gedaan door bedrijven. En binnen het bedrijfsleven neemt de industrie weer de helft voor haar rekening. Vooral grote industriële bedrijven investeren flink. Zonder industrie zou onze innovatie dus een klap krijgen.

Wat een paar eeuwen geleden gold, geldt nu nog steeds: internationale handel zonder eigen industrie is niet zoveel waard.

Maar wat zijn die Made in the Netherlands-producten dan die iedereen wil hebben?

Nederland heeft een heel diverse industrie. Van ASML tot raffinaderijen, van vrachtwagens tot chocoladekoekjes. Een deel is vies, met veel CO2-uitstoot; een deel is letterlijk schoon en wordt in elkaar gezet in cleanrooms. Sommige industrie is heel gespecialiseerd (zoals de chipmachines van ASML), andere industrie levert vooral bulkgoederen.

TNO maakte een paar jaar geleden een helder overzicht van welke in industrie hoe groot is (de omvang van de bollen in de grafiek hieronder), hoe snel die industrie groeit (verticale as) en hoe gespecialiseerd Nederland is (horizontale as). De voedsel- en chemische industrie zijn in Nederland zowel in absolute zin, als in relatieve zin groot, maar de groei is beperkt. In Europees opzicht hebben we geen bijster grote farma-industrie, maar hij groeit wel lekker. Dat de machine-industrie de snelste groeier is komt - je raadt het al - onder meer door ASML.

Bron: TNO

Hoe moet Nederland nou industriebeleid voeren als het zo'n potpourri is?

Tot voor kort gaf de politiek niet zo om de industrie. We zouden een dienstenland worden en het was aan de internationale markt om te bepalen waar al die vieze industrie het beste kon gaan zitten. Maar door de coronacrisis, de Russische inval in Oekraïne en de rare fratsen van Trump, is strategische autonomie opeens het buzzword. Iedereen heeft zo zijn eigen interpretatie van die term, maar voor de EU houdt het in dat ze gewoon haar eigen ding kan doen, zonder dat een ander land ons kan chanteren.

Als we zo naar onze eigen industrie kijken, hebben we een groot deel eigenlijk niet nodig. Slechts een kwart van wat onze industrie maakt, kopen we zelf in Nederland. De rest is voor het buitenland. Sluit een chemiereus zijn fabriek, of Heineken zijn brouwerij Zoeterwoude? Dan is dat vooral een probleem voor Duitsland en Amerika, niet voor onszelf (behalve het baanverlies uiteraard).

Tagged in: